Zout
Een theelepel sumac.
Een theelepel sumac.
Een theelepel kaneel.
Een theelepel kaneel.
Twee gedroogde limoenen.
Twee gedroogde limoenen.
Nu moet er zoveel bouillon bij dat alles onder water staat. De ingrediënten moeten onder water staan en het vuur moet hoger totdat het borrelt. Dan moet er een deksel op.
Gek dat er dan een deksel op moet. Alsof we niet willen zien dat iets borrelt.
Anders verdampt de soep.
We willen niet zien dat iets borrelt, we willen doen alsof alles in orde is tot het overkookt.
Wil je een uitgedroogde soep?
We willen doen alsof alles in orde is en de deksel op de pan laten, en generaties later tillen we die deksel op en ligt er alleen een hoopje as. Of iets wat rot.
De vis moet ontschubd worden.
Uitgekleed.
De vis moet ontschubd en opengesneden, de ingewanden losgesneden en weggegooid. De vis is leeg.
In sommige landen worden krijgsgevangenen dood en zonder ingewanden terug naar hun families gestuurd. Moeders die hun hoofden bij de lege hulzen van hun zonen leggen.
…
En de ogen moeten eruit.
Zou je iemand nog herkennen als zijn ogen uitgestoken zijn?
Nu de vis schoon is, smeer je het in met een mengsel van olie en zout.
Een mengsel van olie en zout.
Ik heb me eens ingesmeerd met kokosolie en een laagje keukenzout omdat dat de bedwantsen zou verdrijven. Ik smaakte nog weken naar zout.
Volgens wie?
Wat?
Wie zei dat je naar zout smaakte?
Iemand die ik vroeger kende.


