Wat achterblijft
Het duurt tien dagen.
Dat ik langs het Amstelkanaal loop en kan ruiken dat de labrador aan het eind van het pad heeft gezwommen. Ik ruik de shampoo van een meisje dat voorbijloopt, mango en aardbei, en de koffieadem van een man die op een bankje zit te mompelen.
Dat mijn wangen rode vlekken hebben en mijn tranen stromen, eindeloos.
Dat mijn handen op onbewaakte momenten naar mijn buik trekken, alsof die het wel willen houden.
Mijn lichaam is heimelijk iets tot leven aan het wekken. Iets dat er niet thuishoort, iets dat ik niet wil. Online kom ik het woord ‘zuigcurettage’ tegen en ik kan het niet uit mijn hoofd zetten: dat idee dat een machine me zal leegzuigen.
Soms weigert het om te vertrekken, lees ik ergens, en blijven er stukjes achter.
Terwijl ik wacht spit ik mijn boekenkast door. Ik ben op zoek naar troost, of naar iemand die weet hoe ik me voel (ik heb geen idee hoe ik me voel, wrijf nijdig de tranen weg die aan mijn kin hangen). Ik vind Het voorval van Annie Ernaux, over haar destijds illegale abortus in Frankrijk in 1963. Op zoek naar iets dat haar en mij verbindt, onderstreep ik: ‘De tijd was niet langer een onverstoorbare opeenvolging van dagen (…) hij werd een vormeloos ding dat in mijn lichaam doortikte, en tot elke prijs onschadelijk gemaakt moest worden.’ Ze beschrijft de wanhoop over het groeiende ding in haar en de vervreemding die optreedt naarmate de tijd verstrijkt. Ze wil geen kind baren. Ze wil studeren en lezen, schrijver worden, eindeloos nadenken zonder gestoord te worden. Ze probeert de lezer niet te overtuigen maar zoekt naar een oplossing, zoals elke hoofdpersoon dat doet.
Ik zou het wel willen zien als het er eenmaal uit is. Misschien zouden ze het meegeven in een jampot, en zou ik het warm en droog in een la kunnen bewaren, of meenemen in mijn jaszak als ik op stap ga. Een poppetje dat in mijn handpalm past, dat ik op mijn schouder kan zetten. Een oester, een schaduw. Zolang het maar niet groeit. In een kort verhaal van Vasalis vindt een jong kind een embryo op sterk water in de keukenkast, naast de olie en azijn. Ze draagt de glazen pot verheugd mee naar de woonkamer, waar haar ouders met bezoek zitten. ‘Het dromerige diertje schommelde zachtjes toen ik het op de tafel tussen de theekopjes zette. Het werd doodstil, iedereen vond het blijkbaar even verrukkelijk mooi als ik.’ Het kind blijft zo lang mogelijk op, dan mag ze het misschien houden.
De wachtkamer is nagenoeg leeg. Patiënten komen alleen. Tegenover me zit een tienermeisje met zwarte skinny jeans, witte gympen en een Zara-tas bij haar voeten. Haar haren in twee knotten, haar make-up smetteloos. Naast me zit een vrouw met een polo aan. Haar gelakte nagels tikken op de plastic leuning van de stoel. In de andere kamer klinkt opgewekte popmuziek. De vrouw bij de receptie heeft airpods in en rolt de kliniek rond op rolschaatsen. Ze heeft een Amsterdams accent, uitgroei die als een schaduw op haar blonde hoofd ligt, en precies de goede zorgzame blik in haar ogen.
In de wachtkamer kijkt niemand elkaar aan. De vrouwen houden hun blikken strak op de grond gericht. Ze gunnen het elkaar om niet gezien te worden.
Ik wijs mezelf erop dat ik geen voyeur ben: ik maak deel uit van deze groep.
Ik heb een groot verwassen T-shirt aangetrokken met twee honden op de rug, dat ik draag als ik slaap. Mijn benen plaats ik in beugels, mijn binnenarm krijgt een prik en ik drijf weg. Wanneer ik wakker word lig ik op een zaal met anderen. Als een verdoofd dier. Ik knipper traag en vraag iets in het Engels, en nog een keer, en nog een keer. Ik kan geen andere taal vinden. De vrouw die naast me ligt mompelt, ‘Ze spreekt Engels.’ Ik herken haar uit de wachtkamer en zwaai met een slappe arm. Ik denk aan alle vrouwen die in ziekenzalen wakker zijn geworden. De zusters brengen me ranja en een schaal koekjes. Ik eet er zes.
Ik probeer me sterk te voelen. Nu ben ik geen moeder meer, alleen een vrouw die huilt en bloedt.
Ik wil geloven dat het een nieuwe plek kan vinden om zich te nestelen. Misschien een groene, weidse tuin, waar het zich in de aarde begraaft om na enkele weken uit te groeien tot een Japanse wijnbessenstruik. Roze, weke bessen die smelten tussen je vingers. Honderd kleine embryo’s aan stekelige rode takken.
Soms denk ik een hartklopping te voelen in mijn schouder of mijn oor. Alsof er een tweede hart in me klopt.
In het gedicht Brass Furnace Going Out: Song After an Abortion schrijft Diane di Prima haar ongeboren foetus aan na haar abortus. Ze stopt de zorg en tederheid bestemd voor een kind, die nu stuurloos in haar woeden, in haar gedicht. ‘Heb je wel genoeg truien?’ schrijft ze; ‘ik wil weten hoe het je vergaat, ik wil je koekjes sturen.’ Uiteindelijk vindt het kind haar laatste rustplaats in een rivier. ‘Otters zullen je naar de oppervlakte trekken, heb ik gehoord,’ mijmert di Prima, haar bedachte kind langzaam loslatend.
Het is niet dat ik mij schaam, meer dat ik ergens voel dat ik mij zou moeten schamen, alsof de schaamte in een andere kamer zit en als een dier over de muur krast.
Op een avond hoor ik een onbestemde piep buiten. Het geluid galmt door de achtertuinen waar mijn slaapkamerraam op uitkijkt, in een onregelmatig, ongrijpbaar ritme. Ik zit op de rand van mijn bed te luisteren, urenlang, zo voelt het. De schemering zet in. In het halfdonker zie ik niets wat het geluid zou kunnen produceren, enkel de contouren van een kat die over een dak rent, lakens die roerloos over een balkon hangen. Langzaam worden de tuinen in duisternis gehuld, en het piepen stopt niet.
Niemand lijkt het geluid op te merken. Als ik de straat op ga om te vinden waar het vandaan komt, fietst een man langs alsof er niets aan de hand is. Een vrouw passeert met haar labrador. Ze kijkt naar de grond, dan naar haar telefoon. De piep wordt harder en lijkt zich te verplaatsen. Er loopt een onzichtbare draad van het geluid naar mij. Ik ben alleen.
Ik loop verder, voorbij het plein met het bejaardentehuis, voorbij een open raam waaruit pianogetokkel klinkt, tot ik bij een antiekwinkel kom. De winkel is niet open geweest in de jaren dat ik hier woon, maar de TL-lichten zijn aan en kleuren de opgezette dieren in houten kasten spookachtig wit. Een kleine vos kijkt terug. Hij zit ineengedoken op een tak. Zijn ogen staan nieuwsgierig, en ik moet opeens huilen om hoe dat beest zich heeft laten vangen. Zijn gezicht zal altijd glimmen van verwachting, want voor hij teleurgesteld kon worden is hij neergeschoten, gevild, in alcohol gedoopt en opgezet. Die glimmende ogen zullen wel glazen knikkers zijn.
Drie weken na de ingreep is mijn zwangerschapstest positief. Het spook wil niet vertrekken.
Ik heb beloofd naar een feest te komen. Ik heb een jurk met zilveren pailletten aangetrokken en loop het park naast mijn huis in. De schemering trekt de kleuren uit de bomen. Mijn buik houdt zich stil. Nu ben ik geen moeder meer, maar een vrouw die in de verte staart. Een zwaan heeft een nest gebouwd van plastic, een sigarettenpakje, een condoomverpakking, en rust uit op haar berg van vuilnis, haar ogen tevreden gesloten.
Ik staar naar het zwarte water. Iets tekent zich af in de duisternis.
Voorgedragen op 28 januari tijdens de bundelpresentatie van Rodante van der Waal in Perdu.


