snavel
Ik droomde dat ik door de bergen liep. Het was ochtend en de bomen hingen hun vochtige takken te drogen, de zon scheen op mijn wangen en het topje van mijn neus was zo koud dat het voelde alsof het elk moment af kon breken. Ik droomde dat er een beekje liep en dat ik er behendig overheen sprong, en mijn knie deed geen pijn meer, en mijn rug was genezen. Ik was een paard, zo sterk en behendig. Een bonte specht tikte ongeduldig gaten in een stam, zijn rode kopje flitste tussen de donkere boomtoppen. Ik wilde mijn eigen plan trekken zoals een specht dat doet: niet thuis wachten op iets wat gebeuren zou, maar nesten bouwen, de ochtend bezingen, mijn liefje warm houden en eten zoeken, wormen, kevers, mieren, slakken, alles wat ik in mijn harde snavel kan passen. Weet je hoelang je kan wachten tot er iets gebeurt? Een zomer lang. Een leven lang.
**
Ik las wat in een bundel op de boekenmarkt, het was zo mooi dat ik vergat dat er mensen om me heen liepen, ik las het boekje uit en begon weer opnieuw (sorry, ik heb het niet gekocht want geld). Spreektralie van Paul Celan. Toen ik thuiskwam zocht ik het op en vond onderstaande opname. Dat inspireerde me om mijn eigen tekst (zie boven) ook op te nemen.
Oogbol tussen de spijlen.
Wimperdier ooglid roeit naar boven, laat een blik zien.
Iris, zwemster, droomloos en troebel: de hemel, hartgrijs, moet vlakbij zijn.
Schuin, in de ijzeren dille, de blakerende spaan. Aan de zin voor licht herken je de ziel.
(Was ik als jij. Was jij als ik. Stonden we niet onder eenzelfde passaat? We zijn vreemden.)
De tegels. Daarop, dicht bij elkaar, beide hartgrijze plassen: twee mondvol zwijgen.
Uit: ‘Sprachgitter’ (1959). Vertaling Erik de Smedt.


